In het veld, maar ook in email-contacten, merk ik soms dat het moeilijk gevonden wordt om sommige botanische termen juist te interpreteren. Er zijn natuurlijk standaarden voor – kijk maar eens in een flora, bijvoorbeeld de Heukels. Maar specialisten in elke groep hebben de onhebbelijke neiging om eigen termen te verzinnen voor zaken die al lang ergens anders gestandaardiseerd zijn.

Soms heeft dat te maken met internationale literatuur, of met oude literatuur, van vóór de standaardisatie. Neem nou ‘periodisch’ getande topblaadjes bij de bramen. In de standaard botanische literatuur zul je vergeefs zoeken naar deze term. Weber – de bramen-paus – gebruikt de term echter om ‘dubbel-gezaagd’ mee aan te duiden…

Bij havikskruiden speelt dit ook, bijvoorbeeld bij het onderscheid tussen haren, klieren en vilt. Feitelijk gaat het in alle gevallen om haren, maar ze zien er allemaal anders uit. Dus hier maar een keer op een rijtje, om het duidelijk te maken.

Haren: enkelvoudige haren, die, als je ze onder een sterke vergroting legt, getand blijken te zijn. Vaak is de voet zwart en de top wit, en de verhouding tussen de stukken zwart en wit zijn soort-specifiek.

Klieren: enkelvoudige haren die eindigen in een bolletje. Het bolletje kan gelig of zwartig zijn, en de lengte en dikte van de klieren is soort-specifiek.

Vilt: sterharen, dus haren die net boven de basis splitsen in 3 of meer toppen. Vaak zijn deze sterharen veel korter dan de klieren en de enkelvoudige haren en vaak ook lastig te zien.

De verhouding tussen deze drie typen haren, vooral op de omwindselblaaadjes, is van belang voor een juiste determinatie van soorten. Hieronder een foto waarop haren en klierharen zichtbaar zijn. De witte waas betreft vilt, dus sterharen. Het betreft een hoofdje van Hieracium similatum, die in de noordelijke landen bekend staat als Hieracium scotostictum.


Hoofdje van Hieracium similatum, met haren (de lange witte), klieren (die met een bolletje op de top) en vilt (de witte waas langs de randen van de omwindselblaadjes)